GRIEKENLAND (2017)

Makedonia airport, de luchthaven van Thessaloniki, verwijst naar het koninkrijk uit de oudheid en de huidige Noord-Griekse provincie. In de 4de eeuw voor Christus veroveren de Macedonische koning Fillipos II en zijn zoon Alexander de Grote de Griekse stadsstaten die verdeeld en verzwakt zijn door jarenlange rivaliteit en oorlogen. Pas na de verovering door de Macedonische koningen wordt het oude Griekenland een territoriale eenheid, met uitzondering van Sparta. Nadien verovert Alexander de Grote het Perzische Rijk en heerst over een gebied dat zich uitstrekt van de Ionische Zee tot de Himalaya in Indië. De huidige grens tussen Griekenland en Noord-Macedonië loopt dwars door het oude Macedonië. Beide landen claimen de culturele en historische erfenis van Macedonië en ook de naam. Zowel in Thessaloniki als in Skopje staat een imposant beeld van Alexander de Grote op een paard en in beide steden is er ook een museum van de Macedonische strijd. Er is dus nogal wat onenigheid over de identiteit van Macedonië en zijn inwoners.

Langs de E90, net buiten Thessaloniki in de richting van Turkije, staat een bord dat de weg aangeeft naar BG (Bulgarije), TR (Turkije) en YU (Joegoslavië). Alhoewel Joegoslavië meer dan twintig jaar geleden uiteenviel, wordt de naam Macedonië voor de voormalige Joegoslavische deelstaat in Griekenland niet erkend. Pas in 2018 wordt er een vergelijk gevonden tussen beide landen.

In een bar in Sarti op het schiereiland Sithonia raak in aan de praat met Kristo, de eigenaar. Zijn overgrootouders zijn afkomstig van Avsa, een Turks eiland in de Zee van Marmara. Het behoorde, net als het grootste deel van het Griekse vasteland en heel wat eilanden vanaf de val van Constantinopel in 1453 tot na de Eerste Wereldoorlog tot het Ottomaanse Rijk. Aan de ene kant van Avsa bevond zich het Turkse dorp, aan de andere kant het Griekse. “Vele hotels en bars in Sarti zijn in handen van Grieken wiens voorouders in Turkije woonden. De oorspronkelijke bewoners van Sithonia zijn herders uit het ruige binnenland. Misschien was de situatie in het Ottomaanse Rijk niet zo slecht zoals tegenwoordig wordt beweerd, maar dat kan je niet luidop zeggen in Griekenland”, aldus Kristo. In 1924 was een kwart van de inwoners van Constantinopel Grieks-Orthodox.

Na eeuwen van Ottomaanse overheersing wordt op 25 mei 1921 de Griekse onafhankelijkheid uitgeroepen. Reeds in 1919 landen Griekse troepen in de Turkse kuststad Izmir. Vele Moslims worden door de Griekse soldaten vermoord. In 1921 trekken de Griekse troepen verder het binnenland in, maar ze worden net voor Ankara tot staan gebracht. In de zomer van 1922 start het Turkse tegenoffensief. De Grieken trekken zich terug tot in Izmir waar ze verslagen worden. Hiermee komt een einde aan de “megalia idea” de grote droom om alle Grieken te verenigen in één land. Turkije en Griekenland besluiten tot een bevolkingsuitwisseling, zoals overeengekomen in het verdrag van Lausanne in 1923. Het is niets minder dan een gedwongen deportatie van  bijna 400.000 Turkse moslims uit Griekenland en ongeveer 1 miljoen Orthodoxe Grieken uit Anatolië. Tijdens en na de Eerste Balkanoorlog in 1912 tussen enerzijds Servië, Bulgarije, Griekenland en Montenegro en anderzijds het Ottomaanse Rijk waren al vele moslims uit de Balkan verdreven. In 1955 is er een ware pogrom door Turkse moslims tegen orthodoxe Grieken in Istanbul. Orthodoxe kerken worden in brand gestoken en de Griekse wijk wordt geplunderd. De politie laat begaan en er vallen verschillende doden. Na de Turkse invasie van Cyprus in 1974, een reactie op de Cypriotische staatsgreep door het Griekse leger in opdracht van de Griekse militaire junta in datzelfde jaar, worden nog eens tienduizenden Grieken uit Istanbul verdreven. Nu wonen er nog amper 3000.

Zowel van op Sithonia als van op het eiland Thassos kan je de berg Athos, de Heilige Berg zien. Hij staat op het gelijknamige schiereiland waar ongeveer 2000 orthodoxe monniken in één van de twintig kloosters een ascetisch leven leiden. Je kan Athos enkel mits toestemming bezoeken en vrouwen mogen het niet betreden.

Ik kijk uit over de Noord-Egeïsche Zee en denk terug aan de reizen die ik de afgelopen jaren door Zuid-Oost Europa gemaakt heb. Ik stel me de vraag of Kosovo, Noord-Macedonië en Bosnië-Herzegovina op termijn wel levensvatbaar zijn. Etnische spanningen, segregatie en hoge werkloosheid bevorderen het samenleven niet echt. Het onverwerkte oorlogsverleden is nog steeds aanwezig in Bosnië-Herzegovina, van echte verzoening kan je niet spreken. Politici met dubieuze banden die spanningen in stand houden om aan de macht te blijven en corruptie zijn overal in de regio een groot probleem. De taxichauffeur die me in 2007 in Belgrado van de luchthaven naar mijn hotel brengt, heeft geen hoge dunk van de Servische politici. “In het parlement schelden ze elkaar verrot en in het weekend komen ze samen zuipen in de discotheek.” Dat is ook de mening van de vele fijne mensen, jong en oud, die ik in de Balkan ontmoet heb over de meeste politici in hun land. De regio is een industrieel braakland, er wordt amper geïnvesteerd. Veel jong talent gaat op zoek naar een toekomst in het Westen. Mijn buren in Brussel zijn Albanees, ze zien geen toekomst in hun thuisland en sturen regelmatig geld op naar hun familie. In mijn buurt hebben twee jonge Roemeense families samen een huis gekocht en opgeknapt, ook zij helpen hun familie in Roemenië financieel. De financiële crisis heeft hier nog harder toegeslagen, in Griekenland zie je veel onafgewerkte gebouwen.