BULGARIJE  (2014)

Op 9 mei is er in Sofia een herdenking ter nagedachtenis van het einde van de Tweede Wereldoorlog. Aan het monument voor het Russische Leger in Sofia liggen kransen met dankbetuigingen uit Bulgarije, Armenië, Kazachstan en Oekraïne. Een Bulgaarse vrouw, wiens vader tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Russische Leger vocht, brengt ook hulde. Plamen, een Bulgaar die er foto’s maakt, heeft respect voor het Russische leger, maar niet voor hun leiders. Hij vertelt dat de houding van de Verenigde Staten ten opzichte van de oorlog in Oekraïne niet door iedereen in Bulgarije op prijs wordt gesteld. Ventsislav Ivanov, een Rus die in Sofia woont, bezoekt met zijn dochter het monument. “Russen houden niet van communisme en Jeltsin”. De naam Jeltsin blijkt als een rode lap op een stier te werken bij een oudere Russische dame. “Jeltsin is een pederast en alcoholicus”. Ook vindt ze de jongeren die op en rond het monument rondhangen, skaten en alcohol drinken een schande. Enkele weken later heeft iemand in rode verf het woord “Maidan” op het monument geschreven, verwijzend naar de gebeurtenissen in Kiev.

Een deel van de Bulgaren -maar ook inwoners uit Macedonië, Montenegro en Servië- voelt zich verbonden met Rusland. De taal en het orthodoxe geloof spelen hierin een rol, maar ook het feit dat Rusland in 1877-1878 mee de Ottomanen verdreven heeft en Bulgarije vervolgens opnieuw onafhankelijk wordt, zijn vele Bulgaren niet vergeten. De Alexander Nevski kathedraal in Sofia, genoemd naar een Russische grootvorst uit de dertiende eeuw en die aanzien wordt als één van de stichters van Rusland, werd gebouwd ter nagedachtenis van de tweehonderdduizend Russische slachtoffers van de Turks-Russische oorlog. Vooral de verschillende slagen om de Shipka pas, een strategische bergpas in centraal Bulgarije, speelden hierin een cruciale rol. Ook tijdens de Sovjetperiode is Bulgarije een trouwe leerling van Moskou geweest.

Aan het English cultural house  in Burgas aan de Zwarte Zee hangen de Bulgaarse en de Russische vlag . Van de Union Jack of de Stars and Stripes is geen spoor te bekennen.

De Ulitsa Vitosha, de voetgangerszone in het centrum van Sofia, is het toneel van een urban hip hop performance met live drum door jongeren. Wat verderop schalt er luide marsmuziek uit een raam op de eerste verdieping. Een auditieve botsing tussen twee werelden.

In Shipka woont Tom Jones en hij rijdt met een gemotoriseerde driewieler met gepersonaliseerde nummerplaat. Ook op het toegangshek van zijn huis aan de rand van het dorp staat zijn naam.  Als zijn gezondheid het toelaat geeft hij af en toe nog een imitatie van zijn muzikale held ten beste. Ivan en zijn vrouw baten er een hotel uit. ’s Avonds zingt en speelt hij soms gitaar voor de gasten. Hij heeft enkele Bulgaarse Beatles platen, “Beatles love songs”. Zoals de titel laat vermoeden met enkel liefdesliedjes. Ook in het communistische Bulgarije waren ze populair. In de jaren tachtig hebben Ivan en zijn vrouw als muzikanten in Noorwegen gewerkt. Voor hun afreis moesten ze zich ieder apart aanbieden op het politiecommissariaat. Ze zouden in het oog gehouden worden en mochten niets negatiefs over Bulgarije vertellen. Er werd hen ook op het hart gedrukt elkaar niet te vertellen over hun gesprek met de politie.

Niet ver van Shipka ligt Buzludzha, een berg die zich ongeveer in het geografische midden van Bulgarije bevindt. Op de top van de berg wordt in 1981 een congrescentrum in de vorm van een UFO ingehuldigd, ter nagedachtenis aan de oprichting van de Bulgaarse socialistische beweging in 1891. Het was ook een uiting van macht van de – toen nog – onaantastbare communistische partij naar het Westen en Turkije toe. Na de val van het communisme in 1989 wordt het volledig geplunderd, alles met enige waarde zoals het koperen dak, het sanitair, de douches en de leidingen zijn volledig verdwenen. Niemand bekommert zich om het monument. Boven de ingang staat “forget your past”. Zoals ook het Ottomaanse verleden, dat door een deel van de Slavische bevolking geminimaliseerd of gedemoniseerd wordt. Dat ondervonden de Bulgaarse Turken en Pomaken, Bulgaren die zich tijdens de Ottomaanse periode tot de Islam bekeerd hebben. Tot begin jaren zeventig hebben deze minderheden in Bulgarije eigen culturele instellingen, onderwijs in de Turkse taal en een Turkse krant.  Het onderwijs in het Turks wordt afgeschaft en islamitische gebouwen worden onteigend en afgebroken. De “Bulgariseringscampagne” van partijleider Zjivkov schakelt in 1984 en ’85 nog een versnelling hoger. De Turken en Pomaken worden verplicht – soms onder bedreiging van vuurwapens – hun Turkse of islamitische naam in te ruilen voor een Bulgaarse of christelijke naam, zo niet krijgen ze geen medische zorg of onderwijs. Er komt een verbod op het spreken van de Turkse taal en het dragen van Turkse klederdracht. Eén van de reden van deze “herdoping” is het streven naar een homogene etnische staat. De overheid wakkert de haat aan door de Ottomaanse periode en de Turken des duivels te bestempelen. In mei 1989 zijn er Turkse massabetogingen. In enkele gebieden wordt de staat van beleg afgekondigd, leger en politie openen het vuur. Er volgt een exodus van 350 000 Turken naar Turkije. Hierdoor ontstaat een tekort aan arbeidskrachten. Bulgaarse bedienden moeten in fabrieken en op het land gaan werken. In de zomer van 1989 lopen de anti-Turkse gevoelens nog hoger op. Wie het opneemt voor zijn landgenoten, wordt in diskrediet gebracht. Op 10 november 1989 komt er een einde aan het communistische regime. Er volgen betogingen en tegenbetogingen. Op 7 januari 1990 scanderen Bulgaren tijdens een massabetoging “Bulgarije voor de Bulgaren, één land, één volk, één religie”.  Een week later aanvaardt het parlement een voorstel tot herstel van de nationale en religieuze rechten van de Turken, het recht op zelfgekozen namen en het gebruik van het Turks. En er volgt er een ondubbelzinnige veroordeling van de minderhedenpolitiek van Zjivkov. Een herstel van het Turkse onderwijs komt er echter niet. Ten gevolge van de slechte opvang en de economische situatie in Turkije keren vele Turken terug naar Bulgarije. 

Mogilitsa is een klein dorp in het Rodopegebergte nabij Griekenland, ik logeer er bij Üksel en Emin. De moeder van Emin woont in de omgeving van het dorp. Op de tafel ligt een kleine koran. Ze heeft enkele koeien die een label aan het oor dragen. Ook in dit kleine dorp is de Europese Unie doorgedrongen. Binnenkort zijn er Europese verkiezingen en in het centrum hangen kieslijsten. Er is zelfs een Brusselstraat, niet meer dan een aardeweg. In het kruidenierswinkeltje, dat ook een café is, wordt bier en raki verkocht. De lokale MTV speelt Nirvana, videoclips met schaars geklede dames passeren de revue. Niemand lijkt er zich aan te storen, ook de oudere mannen niet. Veel jongeren komen er niet in het café, het dorp biedt hen geen toekomst. Ook de zoon van Üksel en Emin wil er weg, hij studeert in Plovdiv. Enkel in de schoolvakanties is hij soms nog in het dorp.

Aan de Zwarte Zeekust wordt alles in gereedheid gebracht voor het toeristisch seizoen. Er worden verfraaiingswerken uitgevoerd, strandbars openen hun deuren. Toerisme is een belangrijke bron van inkomsten en de zonnekloppers en fuifbeesten worden dan ook zo veel mogelijk op hun wenken bediend. Sunny Beach wordt in de zomermaanden overspoeld door voornamelijk jonge Europeanen uit Parijs tot Moskou op zoek naar sun, sea en sex. Maar ook hier zijn de neveneffecten van het massatoerisme zichtbaar. Hotels worden gebouwd zonder vergunning, ook in beschermd natuurgebied en net zoals op andere plaatsen en landen in de regio blijven gebouwen onafgewerkt staan. De laatste ongerepte stranden moeten er aan geloven.

Even buiten Tsarevo en Sinemorets, uit het oog van de toeristen, zijn Roma nederzettingen. De meeste huizen zijn van hout, soms met wat bakstenen en bijna allemaal hebben ze een schotelantenne. Sommigen van deze Roma zijn afkomstig uit Centraal-Bulgarije en kwamen hierheen om in de bosbouw te werken.

Een man met Afrikaanse roots is in Varna aan het joggen onder de hete middagzon. Hij loopt verschillende keren trappen op en af. Enkele oudere vissers kijken toe en denken er het hunne van. Mensen met Afrikaanse roots zie je hier zelden.

Nogal wat mensen uit Varna en wijde omgeving -maar ook elders in Bulgarije- gaan op zoek naar goud van de Thraciërs, die zich meer dan duizend jaar voor Christus op het grondgebied van het huidige Bulgarije, Europees Turkije en noordoost-Griekenland vestigden. Meestal gebeurt dit met metaaldetectors, maar ook dynamiet wordt gebruikt om de schatten op te graven. De film The last Black Sea Pirates vertelt het verhaal van een aantal schattenjagers.

Op weg naar Kosti, een dorp met driehonderdvijftig zielen in het zuidoosten nabij de grens met Turkije, strand ik in Izgrev. Er wonen tussen 20 en 30 mensen. Aan de bushalte raak ik in gesprek met Georgi, hij spreekt een mondje Duits en Frans. Hij vertelt over een reis die hij als jongeman in de jaren zeventig samen met zijn vriend Plamen -een muzikant- gemaakt heeft van Hongarije naar Bulgarije. Onderweg kregen ze een lift van andere muzikanten in een bestelwagen. Het was de reis van zijn leven. Tegenwoordig leeft hij van een pensioen van honderdzestig euro per maand.

Na enkele uren krijg ik een lift van Ivan, die me dropt aan de weg naar Kosti. Er is een controlepost van de grenspolitie, die mijn identiteitskaart aan een grondige controle onderwerpt. Het dunbevolkte grensgebied tussen Bulgarije en Turkije is het terrein van smokkelaars en tevens een buitengrens van de EU. Tot 1913 maakte Kosti deel uit Griekenland. Het is één van de vele plaatsen in de regio die na een conflict aan een ander land werd toegewezen.

 

BOSNIË-HERZEGOVINA (2014)

Het luchthavengebouw van Tuzla is niet meer dan een grote loods, zonder enige drank- of eetgelegenheid en zonder bankautomaat. Er vliegen enkel lage kostmaatschappijen op. De vlucht uit Eindhoven brengt Bosniërs, die tijdens of na de oorlog naar Nederland gevlucht zijn, naar hun vaderland.

In café Bunt (Opstand) ontmoet ik de theaterstudenten Drazen Pavlović en Feđa Zahirović. “Ik kan kiezen tussen kunst of godsdienst”, zegt Feđa. De volgende dag eten we een cevapi. “Bosnian first aid kit” noemt Feđa de snack, ideaal om de rakija van de avond voordien te neutraliseren. Enkele Roma kinderen komen bedelen. Op mijn vraag hoe hun situatie in Bosnië is antwoordt Feđa: ”schrijnend, niemand lijkt zich om hen te bekommeren. Het zijn ook wel speciale mensen. Ons bloed kookt op de Balkan, maar dat van de Roma vaporiseert.”

In de heuvels rond Tuzla spelen drie mannen backgammon in de tuin van een huis. Aan een gevel hangt het portret van Tito. Agan Ramić, een jongeman die in dezelfde straat woont, heeft Tito nooit meegemaakt, maar vindt hem de beste. Verderop in de straat heeft men een antenne neergeplant op een islamitisch kerkhof; schuin aan de overkant is een Joods kerkhof, omgeven door een ijzeren hek met prikkeldraad. De lugubere plek vraagt om een dringende onderhoudsbeurt.

Onder meer dankzij de inspanningen van de toenmalige burgemeester was Tuzla tijdens de oorlog in Bosnië één van de zeldzame plaatsen waar Serviërs, Kroaten en Bosniakken mekaar niet naar het leven stonden. Op 25 mei 1995 doodde een granaat, afgevuurd door het Bosnisch-Servische leger, 71 jonge mensen met verschillende etnische en religieuze achtergrond. De meesten waren tussen 18 en 25 jaar oud, allemaal burgers. De advocaten van de Bosnisch-Servische generaal Novak Djukić, die verantwoordelijk wordt geacht voor het bevel tot het afvuren van de granaat, stellen dat “terroristen” hier voor verantwoordelijk zouden zijn. In 2014 wordt hij door een Bosnische rechtbank in Sarajevo veroordeeld tot 20 jaar opsluiting. Hij heeft echter nog geen dag achter de tralies doorgebracht, omdat hij onder medische behandeling in Servië zou zijn.

In november 2017 wordt voor het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag, 25 jaar na de feiten, Ratko Mladic, leider van de Bosnisch-Servische troepen, veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf, onder meer voor de massamoord in Srebrenica. In december 2017 wordt Enes Jahić, een militaire medewerker op de Bosnische ambassade in Den Haag, gearresteerd. Samen met dertien andere verdachten wordt hij verdacht van wreedheden tegen Servische burgers in de omgeving van Konjić in 1992 en 1993. Na eerder te zijn vrijgesproken door het Joegoslaviëtribunaal wordt de Servische ultranationalist Vojislav Šešelj in april 2018 alsnog tot 10 jaar cel veroordeeld door het MICT, een VN-tribunaal in Den Haag, dit voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Of de veroordelingen tot verzoening tussen de bevolkingsgroepen zullen leiden, is twijfelachtig. Slachtoffers worden nog steeds geconfronteerd met buren en dorpsgenoten die zich tijdens de oorlog schuldig hebben gemaakt aan moord en verkrachting. Regelmatig nog worden mensen in beschuldiging gesteld voor wreedheden tegen voormalige landgenoten.

Eén van de gevolgen van de oorlog is dat conservatieve moslimstrijders uit Noord-Afrika, de Kaukasus en het Midden-Oosten die meevochten met de Bosnische moslims, zich in Bosnië gesetteld hebben, onder andere in Gornja Maoča. Ook in de omgeving van Tuzla is er een kleine gemeenschap met salafisten.  “Voor de oorlog zag je hier geen mannen met baarden en korte broek,” vertelt Feđa. “Sommige mensen zijn bang geworden, zeker toen in 2015 in de omgeving van Tuzla een IS-vlag wapperde . Nadien bleek het om een dronkemansgrap van enkele jongeren te gaan”. Maar de overgrote meerderheid van de Bosniakken laat zich niet verleiden door een conservatieve interpretatie van de islam, voor hen is de sharia iets vreemds. 

Feđa vertelt verder: “Ten gevolge van de hoge werkloosheid en het nationalistische discours van de politici kwamen twintigduizend mensen van de verschillende bevolkingsgroepen in het voorjaar van 2014 in opstand. In Tuzla werd een overheidsgebouw in brand gestoken. De meeste politici moesten aftreden, één politicus meende het echt en probeerde de etnische en religieuze tegenstellingen te overstijgen. Hij bleek echter niet geschikt te zijn voor de politiek. “Bijna alle politici zijn nationalisten die de spanningen in stand houden om aan de macht te kunnen blijven, velen hebben banden met de georganiseerde misdaad”, aldus Feđa. Na enkele dagen stopte het protest en was het business as usual.”

In oktober 2014 zijn er verkiezingen. Inwoners uit de Bosnische federatie kunnen niet stemmen op kandidaten uit de Servische deelrepubliek, en omgekeerd. Net zoals in Kosovo is segregatie tussen de bevolkingsgroepen geen uitzondering. Zo volgen Bosnisch-Kroatische kinderen in Jajce het leerprogramma uit Kroatië en leren ze dat Zagreb hun hoofdstad is. Of hoe politici kinderen volgens etniciteit opdelen. Maar alvast in één school in Jajce hebben scholieren zich verzet tegen de etnische segregatie. In het centrum van de stad staat een gedenkteken voor Kroatisch-Bosnische oorlogsslachtoffers, de Kroatische vlag wappert naast de Bosnische, die echter een stuk kleiner uitvalt.

In Banja Luka, de hoofdplaats van de Servische deelrepubliek, zie je bijna uitsluitend Servische vlaggen, Bosnische vaandels zie ik enkel aan de legerkazerne. Binnen de Servische deelrepubliek gaan veel stemmen op om zich af te scheiden van Bosnië-Herzegovina. Begin 2018 raakt bekend dat een separatistische paramilitaire eenheid, waarvan een deel van de leden in de Servische onderwereld gerecruteerd wordt, getraind wordt door Russen. Of hoe ook Bosnië het speelveld van de geopolitiek is. De verkiezingen in 2018 worden in de Servische deelrepubliek gewonnen door Milorad Dodik, een Servische nationalist die verschillende bezoeken aan Moskou brengt en op goede voet staat met Vladimir Poetin. De houding van Dodik en Servische nationalisten is een bedreiging voor de territoriale integriteit van Bosnië-Herzegovina en kan het vredesakkoord van Dayton van 1995 op de helling zetten.

Het viaduct dat in Sarajevo boven de centrale laan gebouwd wordt, loopt boven een kerkhof. Het werd met helikopters neergelaten, om geen graven te beschadigen. De voorman van de werf beweert dat er tegen de bouw geen protest was. Aan de ingang van het kerkhof wachten drie mannen op een lijkwagen. “Natuurlijk was er amper protest”, zegt één van hen, “er liggen immers enkel katholieken begraven, die amper zes à zeven procent van de bevolking uitmaken”. Na de oorlog zijn bijna alle Serviërs uit het centrum van Sarajevo weggetrokken en hebben zich in de Servische deelrepubliek, Servië of oost-Sarajevo gevestigd. Bijna vier jaar lang wordt de stad door meer dan tienduizend Bosnische Serviërs vanuit de omliggende heuvels belegerd.   

In de tram die het westen van Sarajevo met het centrum verbindt, zijn dankbetuigingen aan en van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en de Amerikaanse ambassade in Sarajevo te lezen, met logo’s van enkele Amerikaanse multinationals.

De skidisciplines van de olympische winterspelen van 1984 in Sarajevo vonden plaats in Bjelašnica, een berg ten zuidwesten van de stad. Het is nog steeds een skicentrum en de regio is populair bij wandelaars en mountainbikers. Langs de weg naar Umoljani waarschuwen borden nog steeds voor mijnen. Vanuit Umoljani wandel ik naar Lukomir, het meest geïsoleerde dorp in Bosnië-Herzegovina. Het bevindt zich op bijna 1500 meter hoogte en is tijdens de wintermaanden, vanaf de eerste sneeuw tot het voorjaar, niet bereikbaar. De meeste inwoners hebben een huis in Sarajevo. Toeristen bezoeken het dorp met de wagen of de quad.

De trein van Banja Luka naar Doboj heeft een aanzienlijke vertraging. Radoš, op weg naar Sarajevo, vertelt dat de trein aan de grens tussen Kroatië en Bosnië-Herzegovina meer dan anderhalf uur werd opgehouden omdat het paspoort van één van de passagiers niet in orde was. “Of de passagier niet uit de trein werd gezet?”, vraag ik. “Neen”, antwoordt Radoš, “de trein wachtte tot het probleem met het paspoort opgelost was”.

Radoš heeft in Boston als kelner gewerkt, maar moest door een stommiteit naar Bosnië-Herzegovina terugkeren. Teruggaan naar de V.S. is moeilijk, als student zou het gemakkelijker zijn. Hij heeft economie gestudeerd, maar vindt geen werk. “Ik zou het niet erg vinden om vijftien uur per dag te werken, zolang ik maar betaald wordt.” Ook in Bosnië-Herzegovina is de economische situatie alles behalve rooskleurig. En het oorlogsverleden is nog steeds heel aanwezig.