KOSOVO (2012)

Het eerste wat me opvalt in Kosovo is dat er meer Albanese vlaggen hangen dan Kosovaarse. Ook rond het graf van Ibrahim Rugova in Priština, de schrijver die zich jarenlang inzette voor de onafhankelijkheid van Kosovo, wapperen meer Albanese vlaggen. Kosovo is Albanees. Maar niet voor iedereen.

In 1995 wordt in Pristina begonnen met de bouw van de orthodoxe kerk van Christus de Verlosser. Door de oorlog echter wordt de bouw nooit voltooid en in 2012 is ze afgesloten met prikkeldraad. Voor vele Albanese Kosovaren is het gebouw een doorn in het oog omdat het geassocieerd wordt met het regime en de repressie van Slodoban Milošević.  In 2017 is er nog steeds een dispuut tussen de universiteit van Pristina (de kerk bevindt zich op de universiteitscampus) en de Servisch-orthodoxe kerk over wie nu de eigenaar is. Verschillende Kosovaarse intellectuelen hebben opgeroepen tot de afbraak ervan. Even verderop bevindt zich de nationale bibliotheek. Het is het vreemdste gebouw dat ik ooit gezien heb en ik weet niet goed wat ik er van moet denken, maar mooi kan je het niet noemen. Tijdens de oorlog in Kosovo werd het als commando- en controlecentrum gebruikt door het Joegoslavische leger. In het centrum van de hoofdstad filmt een Kosovaarse televisieploeg een protestactie die de regering wil aansporen zich meer in te zetten voor de nog meer dan 1500 vermiste Albanese Kosovaren die zijn omgekomen in het conflict in Kosovo. Nog steeds worden graven met oorlogsslachtoffers gevonden.

Aan het Byzantijnse klooster in Gračanica, een heiligdom voor de orthodoxe Serviërs, is er een trouwfeest aan de gang. Een Albanees-Kosovaarse gids, die twee Filippijnse toeristen rondleidt, beklaagt zich over de Serviërs. Hij vertelt dat hij het klooster niet mag betreden en begrijpt niet dat de Serviërs zich naar Belgrado blijven oriënteren. “Het wordt tijd dat men begrijpt dat dit Kosovo is, en niet Servië.” Als ik hem vraag waarom er meer Albanese dan Kosovaarse vlaggen hangen, antwoordt hij dat Kosovo Albanees is.

In Janjevo staat meer dan de helft van de huizen leeg. Ze behoorden tot Kroatische families, maar die door spanningen met de Albanezen naar Kroatië verhuisd zijn. Generaties lang woonden er mensen van Kroatische afkomst in de regio. Vandaag zijn er nog luttele honderden. Aan de katholieke kerk praat ik met twee Franse soldaten van de KFOR-troepenmacht die er de zondagsmis hebben bijgewoond. “Het is niet onwaarschijnlijk dat alle families zullen wegtrekken. De huizen worden opgekocht door Albanezen en Roma”.  Op de terugweg van Janjevo naar Gračanica krijg ik een lift van een Servische Kosovaar. We passeren een nieuwbouwwijk waar alleen Serviërs wonen en een nieuwe school waar uitsluitend Servische kinderen les volgen. De doorgedreven segregatie in Kosovo en het feit dat veel landen, waaronder Rusland en China en vijf EU-landen Kosovo niet erkennen, wijzen erop dat dit bevroren conflict nog niet aan een oplossing toe is. Camp Bondsteel, de Amerikaanse militaire basis nabij Ferizaj en de op één na grootste in Europa, wijst op het geopolitieke belang. De politieke situatie blijft instabiel. Op 16 januari 2018, op de vooravond van tien jaar onafhankelijkheid wordt in de noordelijke stad Mitrovica de Servische politicus Oliver Ivanović vermoord. De gematigde politicus, die ook Albanees sprak,  heeft zich gedurende vele jaren ingezet voor het vreedzaam samenleven van Serviërs en Albanezen en heeft meermaals gewaarschuwd voor nationalisme. Sinds de onafhankelijkheid is het in de verdeelde stad – de noordelijke oever wordt bewoond door Serviërs, de zuidelijke door Kosovaarse Albanezen – meermaals tot gewelddadige uitbarstingen gekomen.

De onafhankelijkheid is geen economisch succesverhaal. Velen werken of hebben in het buitenland gewerkt, vooral in Duitsland. Meer dan 30% van de bevolking is werkloos en de perspectieven zijn niet rooskleurig. Enkel dankzij westerse financiële steun en geld dat door Kosovaren in het Westen naar hun familie wordt opgestuurd,  is Kosovo levensvatbaar. En corruptie is zoals overal in de regio een probleem. Kosovo 2.0 is een website en tijdschrift dat bericht over de maatschappij, politiek, kunst & cultuur in Kosovo. Uitgave #2 (winter 2011-2012) bericht voornamelijk over corruptie en is behoorlijk kritisch.

Van op de Çabrati-heuvel in Gjakova heeft men zowel een uitzicht over de stad als over de Albanese Alpen. Er staat een verwaarloosd en afgesloten monument voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Verderop is er een kerkhof met strijders van het Kosovaarse Bevrijdingsleger, gesneuveld in de oorlog tegen de Serviërs in 1998-1999. Maar Kosovaarse Albanezen en Serviërs hebben niet altijd tegenover mekaar gestaan. In Landovica werd in 1963 een monument opgericht voor Boro Vukmirović en Ramiz Sadiki, twee partizanen met respectievelijk Servische en Albanese roots en beiden lid van het communistische verzet tegen de Italiaanse bezetter en collaborerende Albanezen. De twee vrienden werden opgepakt en geëxecuteerd. Na het einde van de recente oorlog in Kosovo werd het monument afgebroken. In de plaats kwam een gedenkteken voor gesneuvelden van het Kosovaarse Bevrijdingsleger. In het stadspark van Pristina kwam er een klein gedenkteken met de bustes van de twee verzetslui. In 1999 werd de buste van Boro, de etnische Serviër, met geweld verwijderd.

Op een fototentoonstelling in Prizren ontmoet ik drie jongeren. Ze vertellen hoe ze het conflict in Kosovo als een grote oorlog ervoeren. Godsdienst speelt geen rol van betekenis in hun leven, maar ze gaan soms wel naar de moskee. Anna, een Macedonische die ik op de bus van Prizren naar Skopje ontmoet, vindt dit behoorlijk hypocriet. “Veel jongeren doen alsof ze gelovig zijn, enkel en alleen om hun ouders niet voor het hoofd te stoten”. 

Vele mannen drinken raki en bier, sommigen eten varkensvlees. Hoofddoeken zie je bijna niet in Kosovo, ook niet in Albanië. In Macedonië ligt dat anders.

                                       

MACEDONIË (2012)

Op het Macedoniëplein ten zuiden van de Vardar, de rivier die  door de stad stroomt, staat een imposant beeld van Alexander de Grote op een steigerend paard. Op de noordelijke oever wordt er duchtig gebouwd aan een nieuw archeologisch museum, een nationaal theater, een museum van de Macedonische Strijd, een Holocaust museum, een concertgebouw en een nieuw ministerie van Buitenlandse Zaken. Allemaal in classicistische stijl. Dit kadert in het door de overheid gesubsidieerde project “Skopje 2014”, dat het centrum van de hoofdstad een meer impressionante uitstraling wil geven. In het boek “Ex” van Peter Vermeersch noemt een Macedoniër het “de pornografie van het patriottisme”. Ik zou het zelf niet beter kunnen omschrijven, het is gewoon vulgair, een uiting van een nationalistisch gevoel waar niet iedereen in Macedonië gelukkig mee is. Zeker niet de Albanezen, die ongeveer 25% van de bevolking uitmaken. Eind 2013 breken er in Skopje rellen uit met Albanezen die protesteren tegen de oprichting van het standbeeld van de Servische Tsaar Dusan.  Maar ook onder heel wat Macedoniërs heerst hierover onvrede. 

In Bitola bieden Eva en Kosta me een lift aan en vragen of ik mee wil naar het kerkhof, waar hun zoon begraven ligt. Hij is omgekomen in een auto-ongeval. Nadien trakteren ze me op een koffie. Kosta is Slaaf, Eva heeft Aramese roots en spreekt Macedonisch, Grieks, Italiaans, Frans, Engels en Roemeens. Ze begrijpt de bezwaren van Griekenland wat de naam Macedonië betreft. “In de vierde eeuw voor Christus, ten tijde van Alexander De Grote, was Macedonië een Griekse provincie waar Oud-Grieks gesproken werd. De Slaven, van wie vele Macedoniërs afkomstig zijn, vestigden zich er ongeveer duizend jaar later en de Slavische taal verspreidde er zich ook pas vanaf  de zesde eeuw na Christus”. Macedonische nationalisten meten ons land een identiteit aan die de onze niet is. Nieuw Macedonië” zou een betere naam zijn.” Ook het bouwproject in Skopje keurt ze af. “ Kosta beaamt en voegt eraan toe dat de Balkan een kruitvat is.

En ook de Grieken zit het duidelijk hoog. In een interview op een Macedonisch commercieel televisiekanaal tijdens het Eurosongfestival 2012 vraagt een Griekse reporter aan de Macedonische zangeres waarom Macedonië niet de naam Fyrom (Former Jugoslav Republic of Macedonia) gebruikt. De zangeres gaat niet op de vraag in en antwoordt dat ze van Griekenland en Griekse Muziek houdt. De Griekse reporter zegt ten slotte dat Macedonië Grieks is. Begin 2018 protesteren in Thessaloniki en Athene duizenden Grieken tegen het gebruik van de naam Macedonië voor de voormalige Joegoslavische deelstaat. Reeds decennia bestaat hierover wrevel tussen de twee landen. Om de relaties met Griekenland te verbeteren en de kansen tot een toetreding tot de Navo en de E.U. te vergroten, overweegt Macedonië in 2017 de verwijdering van het standbeeld van Alexander De Grote in Skopje. Om dezelfde redenen lopen er ook gesprekken tussen de twee landen met betrekking tot de naam Macedonië en werd de naam van Skopje’s luchthaven veranderd van Alexander De Grote naar Skopje International Airport. In juni 2018 komen Macedonië en Griekenland overeen dat Noord-Macedonië de nieuwe naam wordt van de voormalige Joegoslavische deelstaat. In oktober 2018 wordt de naamsverandering door een meerderheid in het parlement gesteund. Als gevolg van het akkoord zal Griekenland de toetreding van Noord-Macedonië tot de Navo niet langer tegenhouden en zullen ook andere blokkades, zoals de toegang tot de Griekse haven Thessaloniki, worden opgeheven. 

In april 2012 worden 5 Macedonische jongemannen uit Zelezarsko Ezero in de buurt van Skopje vermoord. Geruchten dat de daders Albanezen zouden zijn, wakkerden de spanningen nog meer aan. Albanezen vielen Macedoniërs aan, wat leidde tot nog meer onrust. Een medewerker van het hostal in Skopje waar ik verblijf, is van mening dat de jonge mannen vermoord zijn door extremisten om een conflict uit te lokken. Een Albanese gids die ik ontmoet op de bus van Macedonië naar Elbasan in Albanië vertelt me dat sommigen in Macedonië de moord toeschrijven aan jihadisten uit Bosnië. In juli 2014 worden zes Albanese Macedoniërs tot levenslang veroordeeld.

Ook de daaropvolgende jaren zijn er gewelduitbarstingen en aanslagen. In oktober 2014 treffen twee projectielen, waarschijnlijk granaten, het gebouw van de Macedonische regering in Skopje.  Op 9  2014 mei breekt er In Kumanovo een vuurgevecht uit tussen de politie en een gewapende groep die geïdentificeerd wordt als het National Liberation Army. Acht politiemannen en 10 militieleden komen om, tientallen aan beide zijden raken gewond. Het vuurgevecht eindigt pas de dag nadien na tussenkomst van het leger. In november 2017 worden 33 mensen, voornamelijk Albanese Kosovaren, hiervoor veroordeeld tot straffen tussen 12 jaar en levenslang. Tijdens het proces bestormen aanhangers  van ex-premier Nikola Gruevski op 28 april 2017 het parlement nadat een Macedonische Albanees  is verkozen tot woordvoerder. En sommigen hebben twijfels over de officiële versie. Ook Marko, een jonge Macedoniër die ik in 2017 in Griekenland ontmoet. Hij denkt dat de schietpartij is uitgelokt door Macedonische nationalisten om de spanningen in stand te houden.

In februari 2015 onthult de sociaaldemocratische oppositiepartij een omvangrijk afluisterschandaal en beschuldigt de voormalige premier Gruevski en zijn neef Saso Mijalkov, het toenmalige hoofd van de geheime politie, het brein hierachter te zijn. Zo’n 20 000 burgers en politici zouden hiervan het slachtoffer geweest zijn. Het leidt tot een langdurende politieke crisis. Twee voormalige leden van de Macedonische geheime politie worden in oktober 2017 op de luchthaven van Thessaloniki gearresteerd, wanneer ze met valse paspoorten het land trachten te ontvluchten. Begin januari 2018 beslist een rechtbank in Thessaloniki over te gaan tot uitlevering aan Macedonië.

In Skopje staat op een muur het opschrift “Albanian zone”. Nogal wat inwoners van Macedoniërs zijn bang dat de Albanezen uit Albanië, Kosovo en Macedonië in één land willen wonen. Ook de medewerkers van het CDRIM in Skopje, een gezondheidscentrum dat zich inzet voor de Roma gemeenschap, zijn bang voor een groot Albanië. Hoewel deze Roma zoals de meeste Albanezen moslim zijn, beschouwen ze zich in de eerste plaats Macedoniërs. Ze hopen dat Macedonië kan toetreden tot de NAVO, wat hun veiligheid zou bieden.                                                                                       

Het aantal Roma In Macedonië wordt geschat  tussen de 35 000 en 40 000. Een honderdtal studeert aan de universiteit. Twee jonge vrouwen, die naast hun studies als vrijwilligers werken voor het CDRIM, vertellen dat de Roma gemeenschap een heel patriarchale samenleving is. Vroeger huwden Roma rond hun dertiende, tegenwoordig wat later. Het centrum tracht de Roma ervan te overtuigen zich te laten inenten tegen ziektes. Enkele malen per week kunnen ze in het centrum een arts raadplegen. Sommigen overleven met het verzamelen van lege petflessen die ze onder andere uit vuilbakken halen en nadien verkopen. Even buiten het centrum van Skopje, onder een brug over de Vardar, leven verschillende families in optrekjes van karton en plastic tussen de petflessen. Even verderop is er een voetbal- en basketveld waar jongeren zich ontspannen en op zondag joggen en fietsen inwoners uit Skopje achteloos langs de rivier en de kleine nederzetting. In Suto Orizari, een stadsdeel in het noorden van Skopje waar CDRIM gevestigd is, leeft de meerderheid van de Roma in huizen. Op straat vraagt een jonge gast me of ik Frans spreek en wat ik hier doe. Hij heeft in Straatsburg gewoond, maar werd uitgewezen. “Hoe het leven hier is? We hebben een dak boven ons hoofd, we hebben geen honger, maar dat is het zowat. Er is geen werk, er zijn amper voorzieningen, er zijn vooroordelen en racisme. We zijn geen prioriteit. Dus zitten we hier maar en knappen we soms klusjes op.”

In Vevčani, een twintigtal kilometer ten noorden van het Ohridmeer, is er een zangfeestje aan de gang achter de Sint-Nicolaaskerk. Zoran, de orthodoxe priester nodigt me uit. Er wordt gegeten, de raki vloeit rijkelijk en er worden patriottische en nationalistische liederen gezongen. Af en toe krijgt Petr, de zanger en synthesizerspeler, geld toegestopt. Eén van de deelnemers draagt een T-shirt met het opschrift “Russian T-100 tank, best in the world”. Hij droomt van een groot Macedonisch-Servisch-Russisch Rijk en is, net als de meeste andere aanwezigen, aanhanger van de nationalistische partij VMRO. Vader Zoran nodigt me uit om de volgende dag “Spasovden”, het orthodoxe Hemelvaart, bij te wonen aan het monasterie van Sveti Spas. Het monasterie -eigenlijk is het een kleine kapel-  bevindt zich op ongeveer een uur stappen van Vevcani, hoog op een bergflank. Inwoners brengen drank en eten mee en de barbecue draait overuren. De priester toont me een plastic leiding, die water aanvoert uit een bron die een tweetal kilometer verder ligt. Ze is op verschillende plaatsen doorboord. Gesaboteerd door moslims, vertelt de geestelijke. Ook zijn een zevental iconen verdwenen uit de kapel. Gestolen door moslims, volgens Zoran. “Het zijn geen gemakkelijke mensen”.  Op de terugweg naar het dorp wordt ik aangesproken door een souvenirverkoper. “Geloof niet te veel van wat de priester vertelt, hij zet mensen tegen mekaar op.”

Twee dagen later krijg ik een lift van Petr naar Struga, een stadje aan het Ohridmeer. Wanneer we het dorp Oktisi voorbij rijden, dat voornamelijk door Albanezen bewoond wordt, zegt Petr dat er veel problemen zijn met moslims: “hasj, marihuana, Al Qaeda”. Het water tussen bepaalde mensen is erg diep, zo diep als het Ohridmeer.

ALBANIË (2012)

Ik schat dat minstens 75% van alle auto’s die in Albanië rondrijden, een Mercedes is. “De enige wagens die geschikt zijn voor het wegennet”, vertelt een Albanees. Toen het land afgesloten was van de buitenwereld, reden er amper wagens. Er waren geen privé auto’s. De straten waren leeg. In amper enkele jaren tijd is het straatbeeld ingrijpend veranderd. Tirana kent nu ook zijn files. In Tirana, Vlora en andere steden worden oude troosteloze woonblokken afgebroken en vervangen door nieuwe, uniform en even inspiratieloos als de oude. Er zijn winkels en shoppingcentra, alles is te koop, maar velen kunnen zich weinig veroorloven. En net als in Kosovo zie je in Albanië veel onafgewerkte gebouwen. Als de ruwbouw voltooid is, wordt er een pop aan de buitenkant gehangen als bescherming tegen het boze oog. Wanneer er weer voldoende geld is, vaak uit het buitenland, volgen de ramen, vloer en sanitair.

Toch is het leven voor de meeste Albanezen erop vooruitgegaan. Tijdens het regime van Enver Hoxha moest men vooral werken en gehoorzamen. Je wist niet of je je buren kon vertrouwen. Mensen mochten niet zonder toestemming van de ene naar de andere stad verhuizen. Je kwam het land niet binnen of buiten, tenzij illegaal. Of op uitnodiging van de communistische partij.

Om het land te beschermen tegen indringers of een invasie liet Enver Hoxha meer dan 500.000 bunkers bouwen. Het waren ook wachttorens in de communistische gevangenis. Overal in het landschap en zelfs in het centrum van steden duiken deze pillendozen op. Aangezien het verwijderen er van een massa geld en tijd zou kosten, worden sommige nu als stal of opslagplaats gebruikt. Of om afval in te dumpen. Het lijkt er op dat deze bunkers nog lang een getuigenis van het verleden zullen zijn.

Nadat de banden met Joegoslavië en nadien de Sovjet-Unie werden verbroken, wordt China de bevoorrechte partner van Albanië. Na de dood van Mao in 1976 en de daaropvolgende politieke koersverandering in China, belandt Albanië in een isolement. De staalfabriek aan de rand van Elbasan, gebouwd door de Chinezen, ligt er voor een groot deel verlaten bij. Na de ineenstorting van het communistische regime verliezen vele arbeiders hun job, wat de emigratiegolven van de jaren negentig in de hand werkt.

In een café in Tirana maak ik een praatje met Tritan. “Mannen mochten geen lang haar dragen en vrouwen moesten hun knieën bedekken. Ofwel moest je studeren, ofwel werken. Werkloosheid bestond niet.” Shpresa Dako, de cafébazin vertelt verder: “In naam van de vooruitgang besloot de partij op een bepaald moment dat het land margarine zou produceren. Boter werd plots als ouderwets beschouwd en mocht niet meer geproduceerd worden. Niemand begreep deze beslissing. Mensen mochten de melk van hun eigen koe niet meer tot boter verwerken en lustten de margarine niet”. Tritan nam ook deel aan het piramidespel dat in 1997 door mannen met niet zo nobele bedoelingen werd opgezet. Na zes maanden trok Tritan zich terug uit het spel en maakte winst. Maar de meeste deelnemers verloren hun geld. Sommige Albanezen verloren al hun spaargeld of moesten zelfs hun huis verkopen. Vervolgens braken er massale rellen uit. Winkels, wapenopslagplaatsen en overheidsgebouwen werden geplunderd. Er heerste chaos en wetteloosheid. Criminele bendes namen op bepaalde plaatsen het roer over. Onder andere Tropoja in het noorden, nabij de grens met Kosovo, was een no-go zone voor politie en justitie. Ook de Griekse grensstreek met Albanië en de Middellandse Zee worden door criminelen onveilig gemaakt. Na een eerste exodus in 1991 kapen Albanezen in 1997 onder andere in Dürres en Vlora boten en verplichtten de kapitein koers te zetten naar Italië. Begin jaren 2000 lanceerde de overheid een offensief en bracht het land weer onder controle. Tritan vertelt dat in Albanië een verhaal de ronde doet waarom het piramidespel is geïmplodeerd. Omdat het spel een enorm succes was – veel Albanezen dachten de kip met het gouden ei gevonden te hebben – had men meer geld nodig om het te financieren. Er werd een deal gesloten met Yasser Arafat om wapens te leveren aan de PLO. De wapens waren afkomstig van de wapen- en munitiefabrieken in Poliçan, die vanaf begin de jaren zestig tot halverwege de jaren tachtig een licentie hadden om kalasjnikovs te produceren. De PLO betaalde een voorschot en de wapens werden verscheept richting Palestina. Inlichtingendiensten hadden echter lucht gekregen van de transactie en het schip werd in de Middellandse Zee tot zinken gebracht. De resterende som werd niet betaald en vervolgens stortte het piramidespel in toen mensen hun geld begonnen op te vragen. Zelf heeft Tritan nogal zijn twijfels over dit verhaal, maar hij sluit het ook niet helemaal uit.

In Tirana Express, een loods achter het station die door de stad ter beschikking wordt gesteld en waar filmvoorstellingen, tentoonstellingen en optredens georganiseerd worden, ontmoet ik Klejd. Hij vertelt dat eind jaren zeventig het de Albanezen begint te dagen dat het Westen toch niet zó des duivels is als het regime beweert. Je kon Albanië niet binnen of buiten tenzij illegaal, maar via de Joegoslavische en Italiaanse televisie kon men toch een beeld opvangen van de buitenwereld. Begin jaren tachtig beginnen mensen ondergronds Engelse literatuur te lezen en naar popmuziek te luisteren. Als je niet betrapt werd tenminste, want dan verdween je voor een tijdje in de gevangenis.                                                                                    

Voor de ingang van Tirana Express stoppen twee geblindeerde wagens. De cultureel attaché van de Verenigde Staten komt een kijkje nemen of alles in orde is voor de voorstelling van de film “An inconvenient truth”, die georganiseerd wordt door de Amerikaanse ambassade. Blijkbaar willen de Amerikanen enkele inwoners van de jongste NAVO-lidstaad bewust maken van de gevaren van de opwarming van de aarde. Eind 2013 is er hevig protest in Albanië tegen de geplande vernietiging van chemische wapens uit Syrië op Albanese bodem.

In de kuststad Dürres ontmoet ik Bledi en zijn vriend, twee twintigers. Tot midden jaren negentig stonden er bijna geen gebouwen aan de kust in Dürres. Nu is het volgebouwd met appartementen en hotels. Het afvalwater wordt in zee geloosd en het strand ligt vol zeewier. Veel appartementen raken niet verkocht en buiten het seizoen raken de meeste hotelkamers niet verhuurd. Ook naar de bestemming van de bouwwerf aan het einde van de steiger in zee heeft hij het raden. “Misschien wordt het een discotheek of een hotel”. De bouwwerken zitten in de eindfase, maar er is nog geen koper gevonden. Bledi beweert dat de burgemeester en zijn familie hiervoor verantwoordelijk zijn. Hij noemt ze de cosa nostra. Zijn vriend droomt van Miami. Hij heeft een neef in Brussel die twee prostituees onder zijn hoede heeft en die ook in wapens handelt. Uzi en pussy. Bledi houdt niet van de Albanezen uit de bergen. “Ze zakken naar de kust af en brengen hun gewoontes mee”.  Ook in Kükes, dat in de bergen in Noord-Albanië tegen Kosovo ligt, uiten jongeren hun ongenoegen over de Albanezen uit de bergen. “Kükes is ’s nachts niet veilig, de mensen uit de bergen zijn dieven.”

In hotel Nais in Dürres zitten enkele Amerikanen aan het ontbijt met de bijbel op tafel. Bekeringsdrift is van alle tijden. Begin jaren negentig waren nogal wat Jehova’s op pad in Albanië. In mijn hostal in Tirana logeert een Amerikaan die met een project de levensstandaard van Albanezen probeert te verbeteren. Met God als getuige. En de nieuwe moskee is Dürres is gefinancierd door een prins uit het Midden-Oosten. Veel succes hebben de mannen met baarden voorlopig echter niet. De oproep tot het gebed wordt door de meeste mensen genegeerd. Een jong koppeltje – hij met Slipknot t-shirt, zij kortgerokt – lopen ongeïnteresseerd voorbij. Gemengde huwelijken tussen Christenen en Moslims zijn geen uitzondering in Albanië, een voortvloeisel van de atheïstische campagne die Enver Hoxha eind jaren zestig lanceerde. Orthodoxe moslims zijn nog steeds een uitzondering, maar het heeft er alle schijn van dat God weer zijn intrede gedaan heeft in dit voormalige atheïstische land; aan een bushalte spreken twee vrouwen me aan over God.

“Hoe sneller ik hier weg kan, hoe beter, er is geen werk hier in Poliçan.” Lisjan, een twintiger die vlot Engels spreekt, leidt me rond in de stad, zo’n twintig kilometer ten zuiden van Berat. Het centrum ligt er netjes en geordend bij, een groter verschil met Bajram Curri of Kükes in het noorden kan er haast niet zijn. Een gewapende soldaat maakt ons duidelijk dat in de fabriek nog steeds wapens en munitie vervaardigd worden. Hij vraagt me of ik hem geen job in België kan bezorgen. “Ook illegaal werk of toiletten kuisen?”, vraag ik. “Om het even wat. Beter dan hier elke dag rond te hangen met dezelfde mensen, zonder toekomstperspectief.”

Dhermi zou één van de meest charmante kustplaatsen en stranden van het land zijn. Hoewel een klein stukje strand zo omschreven kan worden, is dit toch betrekkelijk relatief. Veel onafgewerkte gebouwen staan te verkommeren en enkele worden gekraakt, nieuwe gebouwen rijzen als paddenstoelen uit de grond. Er slingert ook redelijk wat afval rond. Een man is aan het zonnen naast een autobatterij.                                                  

Dimos, een Macedoniër die ook de Bulgaarse nationaliteit heeft, is er op vakantie met zijn Russische vrouw, die hij enkele jaren voordien aan de Zwarte Zeekust in Bulgarije heeft ontmoet. Ze wonen in de Russische stad Perm in de Oeral, waar zij advocate is. Hij heeft in Italië, Groot-Brittannië en Nederland gewoond en spreekt naast Macedonisch ook Bulgaars, Albanees, Turks, Grieks, Russisch, Engels en een aardig mondje Nederlands. Bij onze noorderburen zat hij in de weed business. Om de twee à drie maanden oogstte hij naar eigen zeggen ongeveer voor 100.000 euro. Justitie in Nederland vindt hij een lachertje, in tegenstelling tot in Italië, waar hij een tijdje heeft in de gevangenis doorbracht. In Nederland heeft hij naar eigen zeggen nog een gepeperde rekening openstaan bij de elektriciteitsmaatschappij. Dimos vindt dat democratie niet werkt op de Balkan en stelt dat een sterk regime, zoals dat van Poetin in Rusland, de oplossing is. Iemand die de verschillen overstijgt en de kop indrukt. “Wie niet luisteren wil, de bak in”. Hij vindt het ook jammer dat Stalin en niet Hitler de oorlog gewonnen heeft. Iedereen zou gelijk zijn, aldus Dimos. Hij heeft ook een probleem met moslims in Macedonië die, in tegenstelling tot Albanië, een hoofddoek dragen. Toen hij in Brussel was, had hij de indruk in Teheran te zijn. Hij verwijst naar Enver Hoxha die alle inwoners van Albanië, zowel moslims, christenen en orthodoxen, bijbracht dat ze in de eerste plaats Albanezen zijn.

De meeste Albanezen willen het verleden vergeten. Verscholen achter het staatsmuseum in Tirana, uit het zicht, staan de verwijderde standbeelden van Lenin en Stalin. In Kükes in Noord-Albanië ligt aan de rand van de stad een afgesloten, wat verwaarloosd kerkhof met graven van gesneuvelde communistische strijders uit de Tweede Wereldoorlog.