Roemenië / Bulgarije (2007/2009)

De weg tussen Borlești en Tazlău, een klein dorp in Moldavië, is deels verhard. In de hoofdstraat staan mooie houten huizen met onderhouden tuintjes. Oudjes met een hoofddoek zitten op een bank. Het lijkt alsof de tijd er stilstaat, maar dit is schijn. Even verderop staat een luxewagen met Italiaanse nummerplaat die versierd is met bloemen. Van achter een houten hek klinkt muziek. Ik neem een kijkje en wordt naar binnen uitgenodigd. Een man vertelt me in het Spaans dat een jong koppel uit het dorp trouwt. Ze wonen en werken echter in Italië. Hijzelf en zijn vrouw hebben enkele jaren in Spanje gewerkt. ’s Avonds op het bruiloftsfeest vertelt zijn dochter me dat haar ouders hun kinderen al die tijd bij de grootouders hebben achtergelaten. Zij zou graag verder studeren, misschien ook in het buitenland.  Met de steun van Stefan De Grote, prins van Moldavië in de tweede helft van de 15de eeuw en één van de grote historische figuren in Roemenië, wordt in 1497 het orthodoxe klooster opgericht. Eén van de geestelijken komt uit Oekraïne. Na de zondagsmis word ik aangesproken door enkele gelovigen en worden zoete koeken uitgedeeld. Wanneer ik amper een week later het dorp verlaat, is de weg geasfalteerd. In het dorp is geen bank of geldautomaat, maar ik vraag me af wanneer die er komt.

De regio Maramureș ligt deels in het noorden van Roemenië en deels in zuidwest-Oekraïne. In Botiza, een dorpje in de Roemeense Karpaten, neemt religie een centrale plaats in het leven in. Op zaterdag is er in de orthodoxe kerk een viering ter nagedachtenis van de doden en op zondag is er de hoogmis, ook bij de katholieke gelovigen. Nadien wordt er gepraat en gedronken en krijgen de kinderen een ijsje. Ik maak kennis met enkele jongeren uit de omgeving van de stad Baia Mare, die een viering ter nagedachtenis van hun grootmoeder, afkomstig uit het dorp, bijwonen. De drie broers trekken in de zomermaanden naar Parijs om er in de bouw te werken. Een jonge vrouw studeerde in Cluj Napoca en is nog nooit in Boekarest geweest. Ze zouden niet kunnen aarden in Botiza, het heeft hen niets te bieden.

Na de zaterdagmis word ik uitgenodigd op een feest, ruptul sterpelor. Het begin van de lente wordt gevierd. Herders verzamelen hun schapen uit de heuvels en de eigenaar van het het dier dat het meeste melk geeft, wordt tot winnaar uitgeroepen. Stukken struik worden afgehakt en in de grond geplant en dienen als parasol en windbreker. Er heerst hier nog steeds een hecht gemeenschapsgevoel en eten, drank en muziek worden gedeeld. Maar tradities staan onder druk. Ook in dorpen heeft de man-met-de-synthesizer zijn intrede gedaan op bruiloften en moeten orkestjes hiervoor wijken. Wagens verdringen paard en kar. Satellietschotels ontsieren traditionele houten huizen en verstoren de architecturale eenheid van deze dorpen. Sommige van deze huizen worden opgekocht en ontmanteld om vervolgens in West-Europa opnieuw te worden opgetrokken. Er worden bijna geen houten huizen of kerken meer gebouwd, stenen getuigen van een andere, nieuwe tijd.  Jongeren proberen het dorp te ontvluchten. Na hun studies of het vinden van werk in de stad keren weinigen terug en wie het zich kan veroorloven heeft toegang tot alle luxegoederen en technologische snufjes.

Op de hoofdweg in Săcel, een vijfentwintigtal kilometer verderop, lopen enkele mannen met kaarsen en vaandels, verderop staan enkele vrouwen buiten aan een huis te wachten. De mannen lopen het erf op waar een begrafenis plaatsvindt. Ik vraag of ik foto’s mag nemen, men vindt het geen probleem. Vanuit het huis weerklinken sacrale gezangen en na een tijdje wordt de lijkkist naar buiten gedragen, vergezeld van de naaste familie en de geestelijken. Mannen en vrouwen zetten zich op het binnenplein apart rond de lijkkist, die centraal opgesteld is. Er wordt brood uitgedeeld en het zingen gaat voort. Na een tijdje wordt de lijkkist opzij gezet, tafels en stoelen worden opgesteld voor de maaltijd. Ik word naar binnen uitgenodigd en krijg een plaats op de eerste rij. Soep en brood worden opgediend en de tuica, de plaatselijke likeur op basis van fruit, vloeit rijkelijk. Er wordt gelachen, gezongen en gerouwd. Het lijkt of de dood hier nog echt deel uitmaakt van het leven. Na enkele uren laden mannen de kist op een kar en gaat het richting kerkhof. Af en toe stopt de stoet voor een huis en bewoners groeten de overledene voor de laatste maal. Een jonge gast met vaandel, die op kop van de rouwstoet loopt, telefoneert ondertussen ongegeneerd met zijn mobieltje. Niemand lijkt hier aanstoot aan te nemen. Op het kerkhof gaat het zingen door, mensen nemen elkaar vast en uiteindelijk wordt de kist in het graf gelaten. 

Amper een uur later krijg ik een lift van een jonge macho in zijn sportbolide. Met veel te hoge snelheid scheurt hij over de weg. Uit de luidsprekers klinkt luide beatmuziek met Oost-Europese deuntjes. Hij dropt me in Șieu, aan de weg naar Botiza, waar een andere jongeman me in het Frans vraagt waar ik vandaan kom. Wanneer ik zeg dat ik uit België kom, vraagt hij me -tot mijn stomme verbazing- met onberispelijk Hollands accent of ik Nederlands spreek. Hij vertelt dat hijzelf en enkele tientallen anderen uit het dorp gedurende enkele maanden per jaar in de aardbeienteelt in Zundert werken. De rest van het jaar brengt hij werkloos door in zijn dorp.

Op de weg tussen Moldoveneşti en Remetea ten zuiden van Cluj Napoca krijg ik een lift van een jongeman in zijn gammele Dacia. Hij doet internationaal transport van en naar West-Europese wagenfabrieken, zoals Volkswagen in Vorst. Thuis zie ik de fabriek vanuit mijn slaapkamerraam en ik bedenk dat de wereld echt wel klein is geworden. En in Remetea zijn er tweetalige opschriften. De meerderheid van de mensen spreekt er Hongaars, een gevolg van het verdrag van Trianon waardoor Hongarije, dat tot het verliezende kamp behoorde, na WO I tweederde van zijn grondgebied moest afstaan, voornamelijk aan Roemenië en het Koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen. We raken gezellig aan de praat en prompt nodigt hij me uit om thuis iets te drinken waar ik kennis maak met zijn moeder. De ritten van de zoon en de verkoop van West-Europese tweedehandswagens dikken haar pensioentje wat aan. Hij hoopt zo snel mogelijk naar Spanje te mogen rijden, waar hij een liefje heeft en waar hij zich uitleeft in discotheken. Hier in het dorp valt er voor jonge mensen niets te beleven.

De trein van Alba Iulia naar Medias rijdt langs Copşa Mică, tot eind jaren negentig één van de meest vervuilde plekken van Europa. De smurrie die twee fabrieken decennialang uitspuwde en vervolgens in de wijde omgeving neerdaalde was verantwoordelijk voor de ernstige vervuiling van de lucht, het water en de grond en liet sporen na op planten, dieren en mensen. Na de val van het communisme werd deze schandvlek in de pers belicht en begon men met de sanering.

Wanneer je vanuit Giurgiu de Donau oversteekt naar Ruse in Bulgarije, kom je in een andere wereld terecht. Het Cyrillisch schrift getuigt van andere wortels en in het eten smaak je de nabijheid van Turkije en Griekenland.  Men noemt Ruse ook wel eens Klein Wenen, vanwege de neo-barokke en neo-rococo architectuur. In de jaren tachtig van vorige eeuw verlieten meer dan tienduizend mensen de stad vanwege de luchtvervuiling, veroorzaakt door de fabrieken in Giurgiu op de andere oever van de Donau in Roemenië. ’s Avonds flaneren mensen langs de oevers van de stroom en een enkeling waagt het te zwemmen. Het interieur van het stationsgebouw is imponerend en herinnert aan een periode toen je er niet vrij kon rondreizen. Het speeltuig voor kinderen op de promenade langs de Donau straalt ook iets duisters uit. Het roept bij mij het beeld op van iets industrieels, of van wapentuig.

Op een zaterdagavond op het einde van mei wordt het centrale plein overrompeld door jonge mannen en vrouwen die “abitur”, het einde van de middelbare schooltijd en de stap naar volwassenheid vieren. Iedereen op zijn paasbest en sharp-dressed, scheidsrechtersfluitjes lijken obligatoire. Een generatie jonge mensen die nooit achter het hek heeft geleefd, in verbinding met de hele wereld. Hun ouders moesten op hun hoede zijn voor wat ze zeiden en lazen, iets wat de internet- en facebook-generatie niet kent.

In Boekarest camoufleren reuzegrote reclameaffiches de werken aan gebouwen op het Piața Unirii.  Enkele decennia geleden zag deze plek er totaal anders uit. Nicolae Ceausescu, een megalomane cultuurbarbaar liet een groot deel van de stad platgooien en verminkte ze onherroepelijk. Wie hier tijdens het interbellum rondwandelde, waande zich in Parijs. Na de tweede wereldoorlog waren angst en honger voor veel mensen dagelijkse kost. De leider besloot enkele wijken op te offeren ter glorie van zichzelf en zijn vrouw en huisvestte er de nomenclatuur. Het volk moest verkassen naar grauwe appartementsblokken, waar geen plaats was voor huisdieren. De vele en soms agressieve zwerfhonden in de stad -tellingen spreken tot zestigduizend- getuigen hier nog steeds van. Een plan om de dieren uit het straatbeeld te verwijderen en te doden, lokte in 2013 protest uit in Roemenië en het buitenland.

Het plein en de omliggende lanen hebben een metamorfose ondergaan en schreeuwen een nieuwe boodschap uit: consumeren.